Art. 147
Er bestaat voor geheel België een Hof van Cassatie.
Dit Hof treedt niet in de beoordeling van de zaken zelf.
Art. 158
Het Hof van Cassatie doet uitspraak over conflicten van attributie, op de wijze bij de wet geregeld.
Art. 128
Het Hof van Cassatie omvat drie kamers.
Iedere kamer van het Hof van Cassatie bestaat uit twee afdelingen.
Iedere afdeling bestaat uit vijf raadsheren, de voorzitter daaronder begrepen.
De arresten worden gewezen door vijf raadsheren, daaronder begrepen de voorzitter. Zij worden echter gewezen door drie raadsheren in de door de wet bepaalde gevallen.
Art. 129
Het Hof van Cassatie bestaat uit een eerste voorzitter, een voorzitter en raadsheren in het Hof van Cassatie.
Onder de raadsheren worden zes afdelingsvoorzitters aangewezen.
Art. 130
In het hof wordt een bureau voor rechtsbijstand gevormd. Het bestaat uit één raadsheer.
Art. 131
Wanneer de eerste voorzitter, na het advies van de raadsheer-verslaggever en van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, oordeelt dat een zaak in voltallige zitting moet worden behandeld, vergadert de kamer met negen raadsleden de voorzitter daaronder begrepen.
In alle gevallen waarin het hof met verenigde kamers moet vergaderen, houdt het zitting in oneven getal en met ten minste elf leden.
Cassatieberoep tegen beslissingen van het hof van beroep, genomen met toepassing van artikel 103 van de Grondwet, wordt behandeld door de verenigde kamers.
Cassatieberoep tegen beslissingen van het hof van beroep, genomen met toepassing van artikel 125 van de Grondwet, wordt behandeld door de verenigde kamers.
Art. 132
Het reglement houdende de dienstregeling van het hof wordt door de Koning vastgesteld, op advies van de eerste voorzitter, van de procureur-generaal, van de hoofdgriffier en van de stafhouder van de Orde der Advocaten bij het Hof van Cassatie.
Dit reglement bepaalt het aantal raadsheren aan elke kamer verbonden alsook het aantal en de duur van de zittingen.
Het reglement wordt ter griffie aangeplakt.
Art. 133
De eerste kamer neemt kennis van de voorzieningen in burgerlijke zaken en handelszaken, de tweede van de voorzieningen in criminele, correctionele en politiezaken, de derde van de voorzieningen tegen beslissingen in laatste aanleg gewezen door de arbeidshoven en -rechtbanken. De overige zaken die ingevolge de wet ter kennisneming van het Hof van Cassatie staan, worden door de eerste voorzitter verdeeld over de kamers.
Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, behandelt iedere kamer, na verwijzing bevolen door de eerste voorzitter, de voorzieningen waarvan de andere kamers dienen kennis te nemen.
Art. 134
Het Hof van Cassatie doet in de verenigde kamers uitspraak over conflicten van attributie.
Art. 135
De eerste voorzitter zit de kamer voor waarvan hij deel wil uitmaken; hij zit een van de andere kamers voor indien hij het dienstig acht; hij bekleedt het voorzitterschap van de voltallige zittingen, de verenigde kamers en de plechtige zittingen.
Art. 135bis
Het Hof van Cassatie wordt bijgestaan door ten minste vijf en ten hoogste dertig referendarissen. Hun aantal wordt door de minister van Justitie bepaald.
De eerste voorzitter en de procureur-generaal stellen in onderlinge overeenstemming het aantal referendarissen vast dat onder hun respectief gezag komt te staan.
De referendarissen bereiden het werk van de raadsheren en de leden van het parket voor; zij dragen bij aan de werkzaamheden in verband met de documentatie en werken mee aan de vertaling en de publicatie van de arresten alsook aan het in overeenstemming brengen van de Franse en Nederlandse tekst.
Art. 136
Er is bij het Hof van Cassatie een dienst voor documentatie en overeenstemming der Franse en Nederlandse teksten van de arresten.
Deze dienst staat onder het gezag en de leiding van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, bijgestaan door de procureur-generaal bij dit Hof.
Hij bestaat uit magistraten die daartoe opdracht krijgen zoals bepaald is in artikel 326, en uit attachés. De minister van Justitie bepaalt het getal van die magistraten en van de attachés.
Art. 608
Het Hof van Cassatie neemt kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het hof worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.
Art. 609
Het Hof van Cassatie doet uitspraak over de voorziening in cassatie:
1° tegen de beslissingen van de hoven en rechtbanken, gewezen in alle zaken en in laatste aanleg;
2° tegen de arresten waarbij de afdeling administratie van de Raad van State beslist van de vordering geen kennis te kunnen nemen, daar deze tot de bevoegdheid van de rechterlijke overheid behoort, en tegen de arresten waarbij de genoemde afdeling afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, gegrond op de overweging dat de vordering tot de bevoegdheid van deze overheid behoort;
3° tegen de arresten van het Rekenhof, gewezen tegen rekenplichtigen;
4° tegen vonnissen in laatste aanleg, gewezen door Belgische consuls in het buitenland;
5° tegen beslissingen van de bestendige deputaties van de provincieraden inzake provincie-, gemeente-, agglomeratie- en federatiebelastingen wanneer de waarde van de aanvraag geen 250 EUR bereikt;
6° tegen beslissingen van de bestendige deputaties van de provincieraden inzake belastingen geheven ten voordele van de wateringen en de polders;
7° tegen beslissingen van de hoge militieraad en van de herkeuringsraden;
8° tegen de beslissingen van de Raad voor de Mededinging genomen met toepassing van artikel 32 van de wet van 10 juni 2006 tot oprichting van een Raad voor de Mededinging.
Art. 610
Onverminderd artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, neemt het Hof van Cassatie kennis van vorderingen tot nietigverklaring van de handelingen waardoor rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie, alsook tuchtrechtelijke overheden van openbare en ministeriële ambtenaren en van de balie, hun bevoegdheid mochten hebben overschreden.
Het Hof van Cassatie neemt kennis van de vorderingen tot nietigverklaring van de handelingen van het beheerscomité die door overschrijding van bevoegdheid zijn aangetast, tegen de wetten indruisen of op onregelmatige wijze zijn gesteld.
Het Hof van Cassatie neemt kennis van de vorderingen tot nietigverklaring van de handelingen van de kamers voor handelsonderzoek die door overschrijding van bevoegdheid zijn aangetast, tegen de wetten indruisen of op onregelmatige wijze zijn gesteld.
Art. 611
Het Hof van Cassatie neemt ook kennis van vorderingen tot nietigverklaring van de reglementen van de Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone die door overschrijding van bevoegdheid zijn aangetast, tegen de wetten indruisen of op onregelmatige wijze zijn aangenomen.
Art. 612
Het Hof van Cassatie neemt kennis van voorzieningen tegen de beslissingen in laatste aanleg die strijdig zijn met de wetten of procesvormen, voornamelijk wanneer uit die beslissingen een blijvend verschil van interpretatie omtrent een rechtspunt blijkt.
Art. 613
Het Hof van Cassatie doet uitspraak:
1° op de vorderingen tot onttrekking van de zaak aan de rechter, die in de artikelen 648 tot 659 bedoeld zijn;
2° over het verhaal op de rechter;
3° over regelingen van rechtsgebied;
4° over de conflicten van attributie, ter uitvoering van artikel 106 van de Grondwet.
Art. 614
Het Hof van Cassatie doet uitspraak over de voorziening in cassatie:
1° tegen beslissingen van de tuchtraad van beroep van de Orde van advocaten;
2° tegen beslissingen van de provinciale raden of de raden van beroep van de Orde van geneesheren;
3° tegen beslissingen van de provinciale raden of de raden van beroep van de Orde van apothekers;
4° tegen beslissingen van de gemengde raden van beroep van de Orde van dierenartsen;
5° tegen beslissingen van de commissie van beroep van het Instituut der bedrijfsrevisoren;
6° tegen beslissingen van de raden van beroep van de Orde van architecten;
7° tegen beslissingen van de Raad van beroep voor gewetensbezwaren;
8° tegen beslissingen van de Onderzoeksraad voor de scheepvaart;
9° de beslissingen uitgesproken door de beroepscommissie van het instituut van accountants en belastingconsulenten;
10° tegen beslissingen van de commissies van beroep bedoeld in artikel 428ter, § 6.
Art. 615
Buiten de bevoegdheid toegekend bij de artikelen 409, 410 en 486 en bij artikel 90 van de Grondwet, neemt het Hof van Cassatie in algemene vergadering kennis van de vorderingen tot ontzetting uit hun ambt of tot schorsing, ingesteld tegen leden van de Raad van State.
Elk raadslid bij de Raad voor de Mededinging en elk lid van het Auditoraat bij de Raad voor de Mededinging dat te kort is geschoten in de waardigheid van zijn ambt of in de plichten van zijn status kan, naargelang het geval, van zijn ambt vervallen worden verklaard of in zijn ambt worden geschorst, bij een arrest dat door de eerste kamer van het Hof van Cassatie, op vordering van de procureur-generaal bij dit Hof, wordt uitgesproken.
Art. 1073
Behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt, is de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden, te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.
Indien de eiser geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft in België, wordt de in het eerste lid bepaalde termijn verlengd overeenkomstig artikel 55.
De termijn wordt met drie maanden verlengd ten behoeve van hen die zich, voor een openbare dienst niet op Belgisch grondgebied en buiten Europa bevinden, en ten behoeve van de zeelieden die afwezig zijn wegens scheepsdienst.
Art. 1074
Wanneer degene tegen wie de voorziening moet worden ingesteld, overlijdt binnen de termijn waarover de eiser beschikt, wordt die termijn met twee maanden verlengd.
Art. 1075
Het verzoek tot herroeping van het gewijsde schorst de termijn voor de voorziening in cassatie ten aanzien van alle partijen in het geding. Die termijn loopt eerst opnieuw vanaf de betekening van de eindbeslissing over dat verzoek of vanaf de dag van de kennisgeving van die eindbeslissing overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.
Art. 1076
Ten aanzien van de niet verschenen partij loopt de termijn eerst vanaf de dag waarop verzet tegen de bij verstek gewezen beslissing niet meer toelaatbaar is.
Art. 1077
Voorziening in cassatie tegen vonnissen alvorens recht te doen, staat slechts open na het eindvonnis; de tenuitvoerlegging van dergelijk vonnis kan, zelfs als zij vrijwillig is, niet als middel van niet-ontvankelijkheid worden opgeworpen.
Art. 1078
Een te laat ingestelde voorziening wordt, ambtshalve, niet-toelaatbaar verklaard.
Art. 1079
De voorziening wordt ingesteld door op de griffie van het Hof van Cassatie een verzoekschrift in te dienen, dat in voorkomend geval vooraf wordt betekend aan de partij tegen wie de voorziening is gericht.
De voorziening wordt niet-toelaatbaar verklaard, wanneer er meer dan vijftien dagen zijn verlopen tussen de betekening van het verzoekschrift en de indiening op de griffie, ook al is de termijn voor het instellen van de voorziening niet verstreken bij de indiening van het verzoekschrift.
Art. 1080
Het verzoekschrift, dat zowel op het afschrift als op het origineel door een advocaat bij het Hof van Cassatie is ondertekend, bevat de uiteenzetting van de middelen van de eiser, zijn conclusie en de vermelding van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, een en ander op straffe van nietigheid.
Art. 1081
Het exploot waarbij de voorziening is betekend, wordt, op straffe van nietigheid, bij het verzoekschrift gevoegd, wanneer die betekening vereist is.
Art. 1082
Indien het bestreden arrest of vonnis verscheidene punten bevat, geeft het verzoekschrift nauwkeurig aan tegen welke punten de voorziening is gericht.
Na de uitspraak op een vordering tot cassatie staat tegen dezelfde beslissing geen voorziening meer open voor de partij die haar heeft ingesteld, ook al beweert zij nieuwe middelen te kunnen aanvoeren, zelfs ten aanzien van de punten die in de eerste voorziening niet zijn bestreden.
Indien de voorziening tegen een beslissing alvorens recht te doen als voorbarig is afgewezen, kan zij evenwel worden herhaald na het eindvonnis.
Art. 1083
Wanneer twee partijen tegen dezelfde beslissing voorziening in cassatie instellen, moet ieder van hen de voorgeschreven vormen en termijnen in acht nemen.
Het hof voegt beide voorzieningen ambtshalve samen.
Art. 1084
Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet de voorziening gericht worden tegen alle bij de bestreden beslissing betrokken partijen wier belang strijdig is met dat van de eiser.
Deze moet bovendien de andere partijen die nog geen verweerder zijn of niet opgeroepen zijn, binnen de gewone termijnen in de zaak betrekken.
Bij niet-inachtneming van de in dit artikel gestelde regels wordt de voorziening niet toegelaten.
Het arrest kan worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen.
Art. 1085
Bij de indiening van het verzoekschrift schrijft de griffier de zaak in op de algemene rol; voor het overige handelt hij zoals bepaald is in artikel 723.
Art. 1086
De rechtspleging is schriftelijk, met dien verstande dat de partijen die aan de regels ervan hebben voldaan, hun middelen op de zitting mondeling kunnen doen ontwikkelen door een advocaat ingeschreven op het tableau van een balie.
Art. 1087
De eiser kan, samen met zijn verzoekschrift, of, op straffe van verval, binnen vijftien dagen na de betekening ervan, een memorie van toelichting overleggen, die vooraf aan de verweerder is betekend en waarin de feiten worden uiteengezet en de cassatiemiddelen ontwikkeld.
Art. 1088
De handelingen waarbij de rechters en de ambtenaren van het openbaar ministerie, alsmede de tuchtoverheid van de openbare en ministeriële ambtenaren of van de balie hun bevoegdheid mochten hebben overschreden, worden, onverminderd de bepalingen van artikel 502, door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aangebracht bij dit hof, op voorschrift van de minister van Justitie, zelfs wanneer de wettelijke termijn voor de voorziening in cassatie verstreken is en geen enkele partij in voorziening is gekomen.
Het hof vernietigt de handelingen, indien daartoe grond bestaat.
Art. 1089
De beslissingen in laatste aanleg die strijdig zijn met de wetten of met de procesvormen en waartegen geen enkele partij in voorziening is gekomen binnen de wettelijke termijn, worden door de procureur-generaal ambtshalve aangebracht bij het Hof van Cassatie.
Art. 1090
In de gevallen van artikel 1089 vernietigt het hof de beslissingen, evenwel met dien verstande dat de partijen die vernietiging niet kunnen doen gelden om zich te onttrekken aan de beschikkingen van de vernietigde beslissing.
Art. 1091
De voorziening van de procureur-generaal wegens machtsoverschrijding of in het belang van de wet wordt ingesteld in de vorm van een ter griffie in te dienen vordering.
De voorziening wegens machtsoverschrijding wordt betekend aan de betrokken partijen, die gerechtigd zijn om tussen te komen. Die tussenkomst moet geschieden binnen twee maanden na de betekening.
Art. 1092
De voorziening wordt beantwoord op de wijze voorgeschreven bij artikel 1079; de memorie van de verweerder wordt op het origineel en op het afschrift ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie; zij wordt betekend aan de advocaat van de eiser; zij bevat de conclusie van de verweerder.
Art. 1093
De termijn waarover de verweerder beschikt om zijn antwoord ter griffie in te dienen, bedraagt, op straffe van uitsluiting, drie maanden, te rekenen van de dag waarop het inleidende verzoekschrift of de memorie van toelichting is betekend.
Wanneer de verweerder geen woon- of verblijfplaats, of geen gekozen woonplaats heeft in België, wordt de in het eerste lid bepaalde termijn verlengd overeenkomstig artikel 55.
Heeft de eiser in cassatie zijn betekend verzoekschrift niet ter griffie ingediend, dan kan de verweerder, nadat hij zijn antwoord binnen de voorgeschreven termijn heeft doen betekenen, de zaak inleiden door overlegging van het betekende verzoekschrift en vorderen dat de voorziening wordt afgewezen met veroordeling in de kosten.
Art. 1094
Indien de verweerder tegen de voorziening een middel van niet-ontvankelijkheid heeft opgeworpen, kan de eiser hierop antwoorden met inachtneming van artikel 1079; dat antwoord moet vooraf aan de advocaat van de verweerder betekend worden en, op straffe van verval, binnen een maand na de betekening van de memorie van de verweerder ter griffie worden ingediend.
Art. 1095
Het hof kan alleen kennis nemen van de punten van de beslissing die in het inleidende verzoekschrift zijn aangegeven.
Art. 1096
Geen middel van niet-ontvankelijkheid, gegrond op een onregelmatigheid in de vertegenwoordiging van de eiser of op gebrek aan volmacht van zijn orgaan of lasthebber, kan ambtshalve worden opgeworpen, tenzij het berust op miskenning van een regel van openbare orde.
Art. 1097
Indien het openbaar ministerie meent tegen de voorziening ambtshalve een middel van niet-ontvankelijkheid te moeten aanvoeren wegens schending van een regel van openbare orde, verwittigt het daarvan bij gerechtsbrief de partijen die zonder advocaat zijn verschenen en bij gewone brief de advocaten van de partijen. Een kopie van deze brieven wordt bij het procesdossier gevoegd.
Indien het openbaar ministerie bij het opwerpen van een middel van niet-ontvankelijkheid niet aantoont dat het de voorgeschreven kennisgeving heeft gedaan, geeft het hof daartoe bevel en verdaagt het de zaak tot een latere zitting.
Het hof beveelt eveneens de verdaging van de zaak, indien het een middel van niet-ontvankelijkheid ambtshalve wenst te onderzoeken.
Art. 1098
Het verzoekschrift en de memories bevatten een lijst van de erbij gevoegde stukken, door de advocaat bij het hof genummerd en geparafeerd. Die stukken worden niet betekend; de partijen kunnen er inzage van nemen op de griffie.
Art. 1099
De griffier stelt de indiening van het verzoekschrift en van de memories vast door middel van kanttekeningen, die hij ondertekent met vermelding van de datum van ontvangst.
Hij nummert en parafeert de erbij gevoegde stukken, stelt het aantal ervan vast door middel van een ondertekende noot op de kant van de lijst en geeft desgevraagd aan de indiener een ontvangstbewijs af.
Het inleidende verzoekschrift, de memories en de exploten waaruit de betekening ervan blijkt, worden bij het dossier van de rechtspleging gevoegd.
Art. 1100
Benevens de stukken die bij het dossier van de rechtspleging werden toegevoegd, mogen in het proces uitsluitend aangewend worden de stukken die voldoen aan de voorschriften van de artikelen 1097, 1098 en 1099, alsmede de akten van afstand of van hervatting van het geding, de akten van overlijden ingeval het overlijden de rechtsvordering doet vervallen, de machtigingen om te pleiten en de stukken die overgelegd zijn ten bewijze dat de voorziening of de memorie van antwoord toegelaten is.
Art. 1101
Indien een in het geding overgelegd stuk van valsheid wordt beticht, wordt gehandeld zoals bepaald is in de artikelen 907 tot 914.
Art. 1102
In de akten van betekening hoeft niet te worden vermeld dat de afschriften van de betekende stukken door de advocaat of de partij zijn ondertekend of geparafeerd.
Art. 1103
Wanneer de termijnen bepaald bij de artikelen 1093 en 1094 verstreken zijn, heeft noch de verandering van staat of van hoedanigheid van een partij, noch het overlijden van een partij, behoudens wanneer die de rechtsvordering doet vervallen, noch het overlijden van de advocaat bij het hof die voor haar gesteld is, enige invloed op de berechting van de voorziening.
Art. 1104
Wanneer de eerste voorzitter het dossier ontvangt van de griffier, stelt hij een in de zaak zittend magistraat aan als verslaggever.
Deze legt, na zijn onderzoek, het dossier neer ter griffie.
Art. 1105
De griffier zendt het dossier aan de procureur-generaal, die zich met de zaak belast of te dien einde een van de advocaten-generaal aanwijst.
Het openbaar ministerie wordt in alle zaken gehoord.
Als het schriftelijk conclusie neemt, wordt dit stuk uiterlijk op de dag waarop de griffier aan de partijen kennis geeft van de dagbepaling, ter griffie neergelegd om bij het dossier van de rechtspleging te worden gevoegd. Bij de kennisgeving die de griffier verricht met toepassing van artikel 1106, tweede lid, wordt in dat geval een kopie van de conclusie gevoegd.
Art. 1105bis
§ 1. Wanneer de beslissing in verband met het cassatieberoep blijkbaar voor de hand ligt, kan de voorzitter van de kamer, op voorstel van de raadsheer-verslaggever en na advies van het openbaar ministerie, de zaak voorleggen aan een beperkte kamer met drie raadsheren.
§ 2. Die beperkte kamer beslist eenparig op het beroep.
Indien er geen eenparigheid is of indien een van de magistraten van die beperkte kamer het vraagt, moet zij het onderzoek van het beroep naar de kamer samengesteld uit vijf raadsheren verwijzen.
Art. 1106
De eerste voorzitter bepaalt in overleg met het openbaar ministerie op welke dag de zaak ter zitting zal worden opgeroepen.
Van deze dagbepaling geeft de griffier, ten minste vijftien dagen vóór de zitting, kennis aan de advocaat of aan de niet vertegenwoordigde partij, met dien verstande dat de eerste voorzitter die termijn kan verkorten indien de zaak spoedeisend is.
Art. 1107
Na het verslag geeft het openbaar ministerie zijn conclusie. Vervolgens worden de partijen gehoord. De pleidooien mogen alleen slaan op de rechtsvragen die in de cassatiemiddelen zijn opgeworpen, of op de middelen van niet-ontvankelijkheid aangevoerd tegen de voorziening of tegen de middelen.
Wanneer het openbaar ministerie schriftelijk conclusie neemt, kunnen de partijen ten laatste op de zitting en uitsluitend in antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie, een noot neerleggen waarin geen nieuwe middelen mogen worden aangebracht.
Elke partij kan ter zitting verzoeken dat de zaak wordt verdaagd om mondeling, dan wel met een noot, te antwoorden op de schriftelijke of mondelinge conclusie van het openbaar ministerie. Het Hof bepaalt de termijn waarbinnen deze noot dient te worden neergelegd.
Art. 1108
Het hof doet recht, ongeacht of de advocaten en de partijen tegenwoordig zijn of niet.
Art. 1109
De arresten worden in openbare terechtzitting uitgesproken door de voorzitter, in aanwezigheid van het openbaar ministerie en met de bijstand van de griffier.
Art. 1110
Ingeval cassatie wordt uitgesproken met verwijzing, heeft deze plaats naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft.
Deze wordt voor het aangewezen gerecht aanhangig gemaakt zoals een gewone zaak.
Bedoeld gerecht houdt alleen dan zitting met verenigde kamers wanneer het hof zulks om uitzonderlijke redenen heeft voorgeschreven.
Art. 1111
Het hof begroot in zijn arrest de kosten van de rechtspleging in cassatie en zegt aan wie zij moeten worden vergoed.
De partij wier vordering wordt afgewezen, wordt in de kosten verwezen, behalve in de gevallen bedoeld in artikel 1017.
Wanneer cassatie wordt uitgesproken worden de kosten aangehouden en hierover wordt beslist door de feitenrechter.
Het hof kan evenwel uitspraak doen over de kosten van het cassatiegeding bij gedeeltelijke cassatie of wanneer de omstandigheden van de zaak het reeds wettigen.
Art. 1112
Afstand van geding vóór het Hof van Cassatie heeft gevolg buiten de aanvaarding ervan door de verweerder.
Art. 1113
Alle arresten van het hof worden geacht op tegenspraak te zijn gewezen.
Het arrest waarbij cassatie wordt uitgesproken, kan evenwel worden ingetrokken op verzoek van de niet verschenen verweerder die wegens een onregelmatigheid in het betekenen van de voorziening geen gelegenheid heeft gehad om hierop te antwoorden.
Art. 1114
Het verzoekschrift tot intrekking wordt ingediend en aan de andere partijen in het geding of hun advocaten betekend op de wijze bepaald in artikel 1079.
De zaak wordt behandeld overeenkomstig de voorgaande bepalingen.
De termijn voor het indienen van de vordering is, op straffe van verval, drie maanden na de betekening van het cassatiearrest.
Art. 1115
De cassatiearresten kunnen niet worden ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij, op straffe van nietigheid der tenuitvoerlegging.
Art. 1116
De uitgiften van de cassatiearresten worden toegezonden aan de griffies van de hoven en rechtbanken wier beslissingen vernietigd zijn; zij worden door toedoen van de griffier gebundeld volgens een doorlopende nummering. Op de kant van de vernietigde arresten of vonnissen wordt melding gemaakt van het cassatiearrest, met aanduiding van het nummer dat aan de gerangschikte uitgifte gegeven is.
Art. 1117
Wanneer de procureur-generaal cassatie van een arrest vordert, doet hij die vordering ter griffie neerleggen.
De eerste voorzitter wijst de verslaggever aan en voor het overige wordt gehandeld met inachtneming van de hierboven voorgeschreven vormen.
Art. 1118
In burgerlijke zaken heeft de voorziening alleen schorsende kracht in de gevallen die de wet bepaalt.
Art. 1119
Wanneer, na cassatie, tegen de tweede beslissing dezelfde middelen worden aangevoerd als tegen de eerste, wordt de zaak gebracht voor de verenigde kamers van het Hof van Cassatie, samengesteld zoals bepaald is in artikel 131.
Tegen de tweede beslissing, in zover zij overeenstemt met het eerste cassatiearrest, wordt geen voorziening in cassatie toegelaten.
Art. 1120
Wordt de tweede beslissing vernietigd op dezelfde gronden als bij de eerste cassatie, dan voegt de feitenrechter naar wie de zaak is verwezen, zich naar de beslissing van het Hof van Cassatie betreffende het door dat hof beslechte rechtspunt.
Art. 1121
Indien het Hof van Cassatie voor de tweede maal tot cassatie besluit, zoals bepaald is in artikel 1120, doet de procureur-generaal bij dat hof de gewezen beslissingen toekomen aan de minister van Justitie, die daarover ieder jaar verslag uitbrengt aan de Kamers.
Dit geldt eveneens wanneer vernietiging of cassatie wordt uitgesproken krachtens de artikelen 1088 en 1089.
Art. 416
Beroep in cassatie tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort staat eerst open na het eindarrest of het eindvonnis; de vrijwillige tenuitvoerlegging van die voorbereidende arresten of vonnissen kan in geen geval als middel van niet-ontvankelijkheid worden ingeroepen.
Het vorige lid is niet van toepassing op arresten of vonnissen inzake bevoegdheid of met toepassing van de artikelen 135, 235bis en 235ter noch op arresten of vonnissen inzake de burgerlijke rechtsvordering die uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid, noch op arresten waarbij overeenkomstig artikel 524bis, § 1, uitspraak wordt gedaan over de strafvordering en een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen wordt bevolen, noch op verwijzingsarresten overeenkomstig artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.
Art. 417
De verklaring van beroep in cassatie wordt door de veroordeelde partij gedaan op de griffie en door haar en door de griffier getekend; indien hij die de verklaring doet niet kan of niet wil tekenen, maakt de griffier daarvan melding.
Deze verklaring kan in dezelfde vorm gedaan worden door een advocaat.
Deze verklaring wordt in een daartoe bestemd register ingeschreven; dat register is openbaar en een ieder heeft het recht zich uittreksels daaruit te doen afgeven.
Art. 418
Wanneer het beroep in cassatie tegen een arrest of een vonnis in laatste aanleg gewezen in criminele, correctionele of politiezaken, ingesteld wordt, hetzij door de burgerlijke partij, indien er een is, hetzij door het openbaar ministerie, wordt dit beroep niet alleen ingeschreven zoals bepaald in het vorig artikel, maar tevens binnen een termijn van drie dagen betekend aan de partij tegen wie het gericht is.
Wanneer deze partij zich op dat tijdstip in hechtenis bevindt, wordt de akte die de verklaring van beroep in cassatie inhoudt, haar door de griffier voorgelezen; zij tekent de akte en, indien zij niet kan of niet wil tekenen, maakt de griffier daarvan melding.
Wanneer de partij in vrijheid is, betekent de eiser haar zijn beroep in cassatie door tussenkomst van een [gerechtsdeurwaarder], hetzij aan haar persoon, hetzij aan de door haar gekozen woonplaats; [...].
Art. 419
[...]
Opgeheven bij art. 7 W. 20 juni 1953 (B.S., 5 september 1953).
Art. 420
De eerste voorzitter stelt een verslaggever aan zodra de processtukken op de griffie zijn ingekomen.
Art. 420bis
De eiser in cassatie die de zaak wenst te bepleiten, geeft zijn middelen aan in een memorie, welke ten minste acht dagen voor de terechtzitting aan het openbaar ministerie wordt medegedeeld.
Na verloop van twee maanden sedert de dag waarop de zaak op de algemene rol is ingeschreven, mag hij echter geen memories of stukken meer indienen, behalve akten van afstand of hervatting van het geding of akten waaruit blijkt dat de voorziening doelloos geworden is of de noten bedoeld in artikel 1107 van het Gerechtelijk Wetboek.
Ter vaststelling dat partijen memories of stukken hebben ingediend, brengt de griffier daarop kanttekeningen aan, die hij tekent onder vermelding van de datum van ontvangst.
Desgevraagd geeft hij aan de indiener een ontvangstbewijs af.
Art. 420ter
De rechtspleging wordt geregeld zoals bepaald is in de artikelen 1105 tot 1109 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 421
[...]
Opgeheven bij art. 14 W. 12 februari 2003 (B.S., 28 maart 2003 (vierde uitg.)).
Art. 422
De veroordeelde of de burgerlijke partij kan, hetzij bij het doen van de verklaring van beroep in cassatie, hetzij binnen de vijftien volgende dagen, op de griffie van het hof of de rechtbank die het bestreden arrest of vonnis gewezen heeft, een verzoekschrift indienen, houdende de middelen van cassatie. De griffier geeft aan de betrokkene een ontvangstbewijs en overhandigt het verzoekschrift dadelijk aan de magistraat belast met het openbaar ministerie.
Art. 423
Binnen vijf dagen na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen in het vorige artikel bepaald, doet de griffier de processtukken, de verzoekschriften van de partijen indien zij er ingediend hebben en de uitgifte van het bestreden arrest of vonnis toekomen aan de magistraat belast met het openbaar ministerie.
Hij moet daarvan vooral kosteloos een inventaris opmaken en die erbij voegen, op straffe van geldboete van honderd euro, die door het Hof van Cassatie wordt uitgesproken.
Art. 424
De magistraat, belast met het openbaar ministerie bij het hof of de rechtbank die het bestreden arrest of vonnis gewezen heeft, zendt het dossier onverwijld aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie; deze stelt het in handen van de griffier van het Hof van Cassatie, die de zaak onmiddellijk op de algemene rol brengt.
Art. 425
De eisers kunnen hun memories en stukken ook rechtstreeks aan de griffie van het Hof van Cassatie doen toekomen.
Art. 426
Het Hof van Cassatie verwerpt de eis of vernietigt het arrest of het vonnis.
Art. 427
Wanneer het Hof van Cassatie een arrest of een vonnis in correctionele zaken of in politiezaken vernietigt, verwijst het de zaak en de partijen naar een hof of naar een rechtbank van dezelfde hoedanigheid als het hof of de rechtbank die het vernietigd arrest of vonnis gewezen heeft.
Art. 428
Wanneer het Hof van Cassatie een arrest in criminele zaken vernietigt, wordt gehandeld zoals bepaald is in de zeven volgende artikelen.
Art. 429
Het Hof van Cassatie verwijst de zaak als volgt:
Naar een ander hof van beroep dan het hof van beroep dat de bevoegdheid heeft geregeld en de inbeschuldigingstelling heeft uitgesproken, indien het arrest vernietigd wordt op een van de gronden in artikel 299 genoemd;
Naar een ander hof van assisen dan het hof van assisen dat het arrest gewezen heeft, indien het arrest en het onderzoek vernietigd worden wegens enige nietigheid, bij het hof van assisen begaan;
Naar een andere rechtbank van eerste aanleg dan die waartoe de onderzoeksrechter behoorde, indien het arrest en het onderzoek alleen vernietigd worden ten aanzien van de beschikkingen die burgerlijke belangen betreffen [...].
Indien het arrest en de rechtspleging vernietigd worden op grond van onbevoegdheid, verwijst het Hof van Cassatie de zaak naar de rechters die kennis ervan moeten nemen en wijst die aan; indien echter de bevoegdheid behoorde aan de rechtbank van eerste aanleg waarin de rechter die het eerste onderzoek heeft gedaan, zitting heeft, dan wordt de zaak verwezen naar een andere rechtbank van eerste aanleg.
Wanneer het arrest vernietigd wordt omdat het feit dat tot de veroordeling aanleiding gegeven heeft, geen misdrijf blijkt te zijn volgens de wet, geschiedt de verwijzing, indien er een burgerlijke partij is, naar een andere rechtbank van eerste aanleg dan die waartoe de onderzoeksrechter behoorde; indien er geen burgerlijke partij is, wordt geen verwijzing uitgesproken.
Art. 430
In alle gevallen waarin het Hof van Cassatie gerechtigd is een hof of een rechtbank aan te wijzen om over een verwezen zaak uitspraak te doen, moet die aanwijzing blijken uit een bijzondere beslissing, die in raadkamer dadelijk na de uitspraak van het cassatiearrest genomen wordt en waarvan in dit arrest uitdrukkelijk melding wordt gemaakt.
Art. 431
De nieuwe onderzoeksrechters aan wie opdracht zou worden gegeven om het onderzoek van de verwezen zaken aan te vullen, mogen niet worden gekozen uit de onderzoeksrechters van het rechtsgebied van het hof wiens arrest is vernietigd.
Art. 432
Het hof van beroep waarnaar een zaak verwezen is, herstelt, wat hem betreft, de gebreken van het onderzoek en wijst binnen zijn rechtsgebied het hof van assisen aan dat over de zaak uitspraak moet doen.
Art. 433
Wanneer de zaak naar een hof van assisen verwezen is en er medeplichtigen zijn die zich niet in staat van beschuldiging bevinden, geeft dat hof aan een onderzoeksrechter en de procureur-generaal aan een van zijn substituten opdracht om, ieder wat hem betreft, het onderzoek te doen; de stukken van het onderzoek worden vervolgens toegezonden aan het hof van beroep, dat beslist of er al dan niet grond is tot inbeschuldigingstelling.
Art. 434
Indien het arrest vernietigd is omdat het op de misdaad een andere straf heeft toegepast dan die welke de wet op zodanige misdaad stelt, wijst het hof van assisen waarnaar de zaak wordt verwezen, op de reeds door de jury gedane schuldigverklaring, zijn arrest overeenkomstig de artikelen 362 en volgende.
Indien het arrest op een andere grond vernietigd is, worden nieuwe debatten gehouden voor het hof van assisen waarnaar de zaak verwezen wordt.
Het Hof van Cassatie vernietigt enkel een gedeelte van het arrest, wanneer de nietigheid slechts een of enige van de beschikkingen treft.
Art. 435
De beschuldigde wiens veroordeling vernietigd is en die een nieuwe criminele berechting moet ondergaan, wordt, hetzij in staat van hechtenis, hetzij ter uitvoering van de beschikking tot gevangenneming, gebracht voor het hof van beroep of van assisen, waarnaar zijn zaak verwezen wordt.
Art. 436
De burgerlijke partij wier eis tot cassatie hetzij in criminele zaken, hetzij in correctionele zaken of in politiezaken wordt verworpen, wordt veroordeeld in de kosten.
Art. 437
[...]
Opgeheven bij art. 1, 164° W. 10 juli 1967 (B.S., 6 september 1967).
Art. 438
Wanneer een eis tot cassatie verworpen wordt, kan de partij die hem heeft ingesteld, zich onder geen enkel voorwendsel en op grond van geen enkel middel nogmaals in cassatie voorzien tegen hetzelfde arrest of vonnis.
Art. 439
Het arrest dat de eis tot cassatie verworpen heeft, wordt binnen drie dagen aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie afgegeven in de vorm van een eenvoudig uittreksel, door de griffier getekend. Dit uittreksel wordt toegezonden aan de minister van Justitie, die het doorzendt aan de magistraat belast met het ambt van het openbaar ministerie bij het hof of de rechtbank die het bestreden arrest of vonnis gewezen heeft.
Art. 440
Wanneer na een eerste vernietiging, het tweede arrest of vonnis over de zaak zelf met dezelfde middelen wordt bestreden, wordt gehandeld met inachtneming van de vormen bij de wet van 7 juli 1865 voorgeschreven.
Art. 441
Wanneer de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, op vertoon van een uitdrukkelijk bevel, hem door de minister van Justitie gegeven, bij [de kamer die kennis neemt van het cassatieberoep in criminele, correctionele en politiezaken], aangifte doet van gerechtelijke akten, arresten of vonnissen die strijdig zijn met de wet, kunnen deze akten, arresten of vonnissen worden vernietigd en de officieren van politie of de rechters kunnen, indien daartoe grond bestaat, vervolgd worden op de wijze bepaald in hoofdstuk III, titel IV, van dit boek.
Art. 442
Wanneer een hof van beroep of van assisen, of een correctionele rechtbank of politierechtbank een arrest of een vonnis in laatste aanleg heeft gewezen, dat vatbaar is voor cassatie, maar waartegen geen van de partijen binnen de gestelde termijn is opgekomen, kan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ook ambtshalve, en niettegenstaande het verstrijken van de termijn, aan het Hof van Cassatie kennis ervan geven; het arrest of het vonnis zal vernietigd worden, zonder dat partijen zich erop kunnen beroepen om zich tegen de tenuitvoerlegging te verzetten.